|
|
| // 2010 @ MOTORTHEORIE | |
|
|
Les 18: De verlichting en signalen van de motor Welke verlichting moet je wanneer voeren en wanneer mag je wat voor signaal geven? Deze les besteedt aandacht aan deze vraag. Verlichting verlichting Verlichting is er om gezien te worden. Het is verstandig ook bij daglicht verlichting te voeren. dimlicht Dit licht moet je voeren wanneer het een beetje donker aan het worden is en wanneer het volledig donker is. Alleen met stadslicht rijden mag namelijk niet. Dit mag alleen in combinatie met of dimlicht, grootlicht of mistlicht. groot licht Dit gebruik je alleen wanneer je met dimlicht niet genoeg kan zien. Kijk uit, je kan mensen hiermee verblinden! mistlicht Wanneer je zicht ernstig belemmerd wordt door sneeuw, regen of mist, mag je aan de voorzijde van de auto je mistlicht voeren. Dit mag in combinatie met dimlicht of met groot licht. Er zijn ook auto's waar het mistlicht alleen te gebruiken is in combinatie met stadslicht. Het is niet verstandig om met dichte mist je groot licht te voeren. Door de mist wordt dit licht namelijk weerkaatst en wordt je als het ware door je eigen lampen verblind. mistachterlicht Mistachterlicht mag alleen gevoerd worden als het zicht minder dan 50 meter is door mist of sneeuwval. (dus niet bij regen!) achterlicht en kentekenplaatverlichting Deze verlichting moet branden als aan de voorzijde ook verlichting gevoerd wordt. verblinding Verblinding door verlichting ontstaat wanneer de verlichting niet goed afgesteld is of doordat de auto te zwaar is beladen, zodat het lijkt als of je groot licht voert. Zorg er daarom voor dat je auto niet te zwaar beladen is en de verlichting goed afgesteld staat. Als je met groot licht rijdt, dan moet je het wel dimmen als er een tegenligger aankomt. Ook de voertuigen achter je kun je verblinden. En zelfs je voorliggers kun je verblinden met groot licht via de binnen- en buitenspiegel. knippersignaal Je kunt de ander er ook op attent maken, wanneer je zelf verblind dreigt te worden door zijn of haar lichten. Wanneer iemand daar niet op reageert dan is het beter om naar rechts te kijken, naar bijvoorbeeld de rechterkant van de rijbaan, in plaats van in de koplampen. Ook moet je snelheid minderen, omdat je niet meer goed kunt zien of de weg nog wel voldoende vrij is. laagstaande zon Het is nodig om ook bij een laagstaande zon licht te voeren. Denk eraan dat tegemoetkomend verkeer moeite zal hebben om jou te zien, als jij de laagstaande zon in je rug hebt. En als je dan dimlicht voert zien ze je sneller. voetgangers op de rijbaan Iedereen heeft in het verkeer lichten, behalve een voetganger. Let dus vooral in het donker op voetgangers, want zonder trottoir of fietspas zullen zij op de weg moeten lopen. Rij daarom op dit soort wegen niet helemaal rechts, als dat niet echt nodig is. wegen onder bomen Ook kan het op een zonnige dag nodig zijn om dimlicht te voeren zodat je opgemerkt wordt, zoals op een weg onder bomen. Soms staat er dan ook een bord met de tekst erop: "ontsteek uw lichten". Signalen communicatie Om met het overige verkeer tegelijk van de weg gebruik te maken, moet je voortdurend kenbaar maken wat je wilt gaan doen. Daarom moet je in het verkeer duidelijke signalen geven. Dit kan je doen met: * richtingaanwijzer; * claxon; * remlichten; * koplampen; * hand- en armgebaren.
remlichten Met de remverlichting maak je het overige verkeer er duidelijk van dat je wilt gaan stoppen. Voordat je gaat remmen moet je eerst het rempedaal licht aanraken. Hierdoor weet het achteropkomende verkeer dat je wilt gaan remmen. richtingaanwijzer Het is verplicht om elke zijdelingse verplaatsing met de richtingaanwijzers kenbaar te maken aan het andere verkeer. Het gaat hierbij om: * afslaan; * inhalen; * wegrijden; * in- en uitvoegen; * wisselen van rijstrook. Na de zijdelingse verplaatsing moet je de richtingaanwijzer weer neutraal zetten. De afstanden waarbinnen je richting aan moet geven zijn: * op autosnelwegen 300 meter voor de uitvoegstrook; * op wegen binnen de bebouwde kom (50 km/u) op ongeveer 100 meter voor het kruispunt; * op wegen buiten de bebouwde kom of op 70 km/u wegen binnen de bebouwde kom ca. 200 meter voor het kruispunt. Wanneer er een uitvoegstrook of sorteervlak aanwezig is, is ca. 50 meter voldoende. * in woonstraten is 50 meter voldoende. koplampen en claxon Alleen wanneer er dreigend gevaar aanwezig is mag er met licht- en geluidsignalen geseind worden, bijvoorbeeld wanneer je denkt dat iemand niet zit op te letten en jou daarom niet ziet. Je mag met je motorvoertuig niet onnodig geluid maken. Het is dus verboden te claxonneren zonder aanleiding.
|
|||||